28 nov 2011

NEC – SCE 4

 

Halfwaardetijd

 

Een tijdje geleden heb ik betoogd dat de adoratie van voetbalclubs eigenlijk onzin is. Het team zoals je dat tien jaar geleden kende, bijvoorbeeld Ajax, bestaat allang niet meer. Maar toch heet het team nog steeds Ajax. Het is net alsof de Beatles en Rolling Stones ook nog optreden, maar dan met een compleet andere bezetting. Van popgroepen accepteer je dat niet, maar van voetbalteams wel. Dat is vreemd.

 

Ik heb een methode bedacht om dit verschijnsel – de gedaanteverandering van teams – in kaart te brengen. Doel is om te kijken hoeveel jaar het duurt voordat een team zich helemaal heeft ververst, dus dat er niemand van het dat jaar meer in de selectie speelt. We noemen dat voor het gemak maar even de verversingstijd. Dat kun je voor elk jaar bepalen vanaf, zeg maar, het begin van de profcompetitie in 1954. Als het goed is, krijg je zo een ontwikkeling te zien, een reeks getallen die aangeeft of een team vroeger langer of juist korter bij elkaar blijft dan nu. Er zit daarbij wel een addertje onder het gras: stel dat er maar één speler heel lang in de selectie blijft, dan zorgt deze een heel vertekenend beeld van het in stand houden van het team. Daarom introduceren we twee andere grootheden: het gemiddeld aantal speeljaren van de spelers (gerekend vanaf het moment van tellen) en de halfwaardetijd (het aantal jaren waarna een selectie de helft van zijn oorspronkelijke selectie kwijt is geraakt).

 

De methode kent nog wat haken en ogen, zoals de vraag of gehuurde spelers ook meetellen, maar is in principe goed toepasbaar. Het aardige is dat je op deze manier allerlei theorieën kan toetsen, bijvoorbeeld de hardnekkige theorie dat voetballers vroeger veel clubtrouwer waren en veel minder geneigd waren vanwege commerciële motieven naar andere clubs te gaan. En de theorie dat voetballers bij clubs in de periferie weer veel trouwer zijn dan in de grote steden. De methode is niet ingewikkeld, maar de uitvoering kost veel tijd. Ik heb mij daarom vooralsnog alleen bezig gehouden met een steekproef, namelijk de clubs Ajax en NEC en dan alleen de selecties van 1960, 1970, 1980, 1990 en 2000.

 

 

Ajax

1959*

1970

1980

1990

2000

Spelers**

18

17

24

18

29

Gem. aantal jaren

4,4

4,3

3,6

4,0

2,9

Verversingstijd

14

10

8

9

6

Halfwaardetijd

3

3

3

3

2

 

* Gegevens 1960 waren zo snel niet voorhanden, 1959 wel.

** Spelers waar geen speelgegevens van bekend waren, zijn niet meegenomen.


NEC

1960

1970

1980

1990

2000

Spelers

18

21

16

18

26

Gem. aantal jaren

3,0

3,1

3,8

3,7

2,7

Verversingstijd

9

13

11

9

9

Halfwaardetijd

2

2

3

3

2

 

We kunnen uit deze gegevens interessante conclusies trekken. Spelers waren vroeger inderdaad meer clubtrouw of honkvast dan tegenwoordig. Opvallend daarbij is dat de toenemende commercie tot in de jaren negentig geen noemenswaardige invloed heeft gehad op het aantal speeljaren: dat bleef gemiddeld genomen gelijk. Daarna zien we een scherpe daling, wat mogelijk samenhangt met het Bosman-arrest uit 1995 en de explosieve groei van de hoeveelheid spelers per selectie. Opvallend is verder dat de eerste decennia nauwelijks buitenlanders speelden bij de clubs.

 

 

                Het gemiddelde aantal speeljaren. Om een nog beter beeld te krijgen, zou je ook de waarden op de tussenliggende jaren moeten berekenen.

 

Verder zijn er altijd spelers geweest die heel lang voor één club hebben gespeeld, zoals Sjaak Swart (14) en Ruud Krol (10) voor Ajax en Harry Schellekens (13) en Frans Janssen (11) voor NEC (let wel: dit is het aantal jaar dat ze hebben gespeeld vanaf het meetpunt). Maar dit waren uitzonderingen. Het merendeel vertrok reeds na een of enkele jaren. De halfwaardetijd voor selecties is voor alle teams en alle perioden slechts 2 tot 3 jaar. Er is dus altijd veel verloop geweest.

 

En wij?

 

Het is misschien moeilijk vergelijkbaar, zaalvoetbal en veldvoetbal, maar laten we desondanks een poging wagen. We hebben immers wat te vieren dit jaar: het team bestaat 20 jaar.

Ook ons team is niet meer hetzelfde als 20 jaar geleden. Toch spelen nog altijd twee mensen van het toenmalige team mee: Jan en ik. De verversingstijd is dus meer dan 20 jaar. De halfwaardetijd varieert nogal. Na het eerste seizoen vertrokken vijf spelers (halfwaardetijd van 1), maar twee daarvan (Jelle en Pim) keerden het seizoen daarna weer terug. Ze maken het de statistici daarmee knap lastig, want hoe is dat in te passen? Als je dat eerste woelige jaar niet meerekent, komen we aan een gemiddelde halfwaardetijd van 10 jaar. Kom daar maar eens aan.

 

In onze poule is nog één ander team dat kan bogen op eenzelfde, eerbiedwaardige ouderdom: SCE 4. We komen ze al meer dan tien jaar tegen, met steeds dezelfde spelers. Benieuwd naar hun halfwaardetijd. Altijd leuke, maar ook lastige wedstrijden. Sjoerd zei het nog in de auto: degene die voorkomt, gaat winnen. Deur op slot en spelen op de counter. En precies dat team was vorige week onze tegenstander.

 

Dat beloofde niet veel goeds, want SCE kwam inderdaad met 1-0 voor. Gelukkig konden we het voor rust nog rechttrekken, zodat we niet zoals vorige keer voortdurend tegen een achterstand aanliepen. Tijdens de rust was scheidsrechter Harry Jung opeens zoek. Toen hij na een tijdje weer opdook met een appel in zijn hand, wees hij gedecideerd naar de klok en riep: ‘Vijf minuten pauze!’. Bij de aftrap van de tweede helft wilde hij fluiten, maar bracht per ongeluk zijn appel naar de mond. Koddig gezicht. De rest van de wedstrijd was Jung helemaal van de waps. Hij floot een paar keer zomaar in het wilde weg, waarbij niemand wist voor wie de vrije trap was. Op onze vraag wat er aan de hand was, riep hij ‘Hawhawhajoeha’ (een beetje zoals Chewbacca in Star Wars). We hebben hem de rest van de tijd dan ook maar genegeerd.

 

Dankzij of ondanks Harry Jung speelden we goed: in de verdediging nog compacter dan normaal, in de aanval dartel en explosief. Het werd uiteindelijk 4-1. Klasse! Een volle derde helft met zinvol geouwehoer over enneagrammen, de Iraanse international in Eriks veldvoetbalteam en Sjoerds vermogen om het aantal letters in een woord in één oogopslag te zien, maakte duidelijk dat wij onze halfwaardetijd nog flink zullen oprekken, de komende jaren.

 

Paul