30 september 2014

NEC – SCE 5

 

Bijgeloof

 

In het Amsterdam Museum is momenteel de expositie Voetbal Halleluja te zien. Hij gaat over helden, rituelen en (bij)geloof. Hoewel ik morgen naar Amsterdam ga, heb ik weinig zin om de expositie te bezoeken. De tentoonstelling maakt onderdeel uit van het religieplatform De Gelovige Stad. Dat wekt bij mij automatisch weerstand op. Kan ik niks aan doen. Hoewel wij vroeger in Venlo heel liberaal zijn opgevoed, met een milde vorm van protestantisme, drukte de verplichte wekelijkse gang naar de kerk zwaar op mijn gemoed. Als de dominee aan zijn preek begon, werden de aanwezige jonge kinderen als een kudde schapen uit de kerk gedreven om in een aanpalend kamertje te luisteren naar allerlei Bijbelverhalen. Enige relativering was er niet bij, aan de waarheid van de verhalen werd nooit getwijfeld. Toen ik later begon na te denken over het leven, groeide ook het besef dat ik al die tijd voor de gek ben gehouden. De wonderen die in de Bijbel voorkomen zijn net zo ongeloofwaardig als die in sprookjes. De strohalm die het christendom overeind houdt, is geloof.

 

Met terugwerkende kracht zie ik het als een poging tot brainwash. Nog lang niet te vergelijken met de geestelijke terreur die gereformeerde kinderen moesten ondergaan, maar toch voelde dit als een ernstige aanslag op de geestelijke vrijheid, die ik overigens toen nog helemaal moest gaan ontdekken. Ik troost mij met de gedachte dat ik op een breukvlak van twee tijdperken leef. De vorige generaties hadden nog weinig te kiezen en herkauwden de verstikkende religieuze dogma’s omdat er nu eenmaal geen alternatief bestond, terwijl de nieuwere generaties mogen zwemmen in vrijheid. Uiteraard geeft dat ook problemen, maar grosso modo gaat de mensheid er toch een stuk op vooruit.

 

In het voetbal zie je nog de relicten van dat christelijke juk, zoals voetballers die bij het betreden van het veld een kruisje slaan. Vooral in Zuid-Europa en Latijns-Amerika. In Camp Nou in Barcelona is zelfs een kapel ingericht. Ik heb nooit gesnapt hoe volwassen, weldenkende mensen serieus verwachten dat het bidden om een overwinning enig effect kan hebben, al helemaal in de wetenschap dat de tegenstander precies hetzelfde doet. Als God al zou bestaan, heeft hij wel iets anders aan zijn hoofd dan elke keer weer beslissen welk voetbalteam een wedstrijd mag winnen.

 

Ik weet het niet helemaal zeker, maar volgens mij is bij ons team niemand gelovig. Er worden in ieder geval geen kruisjes geslagen en bij een goal stuurt niemand bedankjes richting hemel. Ook bijgeloof komt niet voor, althans niet zodanig dat het opvalt. We zijn in die zin allemaal nuchtere jongens die winnen en verliezen aan onszelf wijten, en niet aan hogere machten. In het geval van verliezen is dat af en toe ongemakkelijk of zelfs pijnlijk, maar daar komen we doorgaans weer snel overheen.

 

Soms zijn we in staat om een acceptabele uitvlucht te formuleren, zoals na de afgelopen wedstrijd tegen SCE 5, die we overtuigend verloren met 2-5. Er was namelijk toch iets speciaals aan de hand. In de rust stond het 1-4, dus eigenlijk hebben we in de tweede helft gelijk gespeeld, 1-1. Het frappante is dat we de wedstrijd ervoor, tegen Morado 7, ook ruim verloren maar in de tweede helft elkaar in evenwicht hielden (0-0). Mogen we ons nu al uitroepen van de Koning van de Tweede Helft, of is dat nog te vroeg? Er is wel meteen een theorie geformuleerd voor dit fenomeen. Hij gaat zo: we zijn als oude rotten niet meer opgewassen tegen jeugdige teams. Het leeftijdsverschil wordt te groot. Ze lopen ons aan alle kanten voorbij en wij hebben niet meer de puf om twee of drie sprintjes achter elkaar te trekken. Maar hoe langer de wedstrijd duurt, hoe vermoeider ook onze tegenstanders worden, totdat ze dezelfde vermoeidheidsgraad hebben bereikt als wij. Op dat moment – in de tweede helft – zijn we weer gelijkwaardig aan elkaar.

 

(En als ze nog mee zouden doen aan de derde helft, zouden we ze vernederen.)

 

Paul